Home › Het hout
Het hout van de Paulownia heet in Japan kiri. Het is een van de lichtste loofhoutsoorten die op de markt komen, rond de 270 kg/m³, met een gemeten spreiding van ongeveer 220 tot 350 kg/m³. De meeste houtsoorten wegen ter vergelijking 300 tot 600 kg/m³, en eik is met zo’n 700 tot 900 kg/m³ grofweg drie keer zo zwaar.
Toch is kiri voor zijn gewicht sterk en blijft het goed op maat. Het werkt weinig, en kromtrekken of scheuren bij het drogen valt mee. Het laat zich makkelijk zagen, schaven en schuren. Dit is geen tropisch hardhout, maar een licht, bruikbaar materiaal van eigen bodem.
De precieze eigenschappen hangen af van de soort, de kloon en hoe het hout gedroogd is. “Paulowniahout” is dus geen vast getal, maar een bandbreedte.
Paulownia dankt zijn reputatie aan twee dingen. Het is uitzonderlijk licht en tegelijk opvallend maatvast. Het krimpt, werkt en scheurt nauwelijks. Japanse meubelmakers kiezen niet voor niets al eeuwen voor kiri.
Buiten houdt het zich goed zolang het niet in de grond staat. In een Oostenrijkse buitenproef bleef onbehandeld Paulownia drie jaar vrij van schimmels en insecten, het vergrijsde alleen. Tegen witrot is het van nature sterk bestand, dankzij eigen inhoudsstoffen als paulownine en sesamine.
Waar het hout niet voor gemaakt is, is blijvend grondcontact. Daar hoort duurzaamheidsklasse 4 à 5 bij (EN 350). Met een goede afwerking en een detaillering die het hout droog houdt, is dat prima op te vangen. Kortom: lichtheid, maatvastheid en snelle, hernieuwbare teelt. Zet kiri in waar die kwaliteiten tellen en het presteert boven verwachting.
Licht meubilair en binnenafwerking, wereldwijd de grootste markt voor kiri.
Kozijnen, deuren en dakonderdelen, waar licht en maatvast gewenst is.
In Europa de belangrijkste bestemming, van dunne fineerlagen tot lichte kernlagen in plaatmateriaal.
Klankkasten van onder meer de Japanse koto en de Chinese guzheng.
Licht en toch stevig, precies wat deze sportartikelen vragen.
De vraag naar kiri-hout is in Azië al eeuwenoud, maar in onze regio staat de markt nog in de kinderschoenen. Er wordt in Europa vooral licht fineer en plaatmateriaal van gemaakt, en er zijn afnemers, maar het is hier nog geen alledaagse houtsoort.
Er zit dus wel een verdienmodel in deze plantage, alleen weten we nog niet precies hoeveel het zal opleveren. Er gaat eerst geld in voor er iets uitkomt. Grondwerk, plantgoed en irrigatie zijn een investering die zich pas na de oogst kan terugbetalen, en het risico bestaat dat er niets uitkomt.
De bomen groeien negen jaar voor er geoogst wordt, de eerste jaren vragen veel werk en zorg, en er zijn risico’s. Vorst, wind en te natte voeten kunnen bomen kosten. Dit is dus een keuze op lange termijn, uit interesse in lokaal, duurzaam hout.